Overgangsrecht onder de Omgevingswet

Overgangsrecht onder de Omgevingswet

1568 816 Mees Ruimte & Milieu

Naar verwachting treedt de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2022 in werking. In blogs en literatuur wordt veel geschreven over de periode ná de inwerkingtreding. Er heerst echter ook nog veel onduidelijkheid over procedures die worden gestart vóór de inwerkingtreding van de Ow en na de inwerkingtreding nog niet zijn afgerond. In deze ‘MEES merkt op’ wordt ingezoomd op het overgangsrecht onder de Ow voor bestemmingsplanprocedures en omgevingsvergunningprocedures.

Achtergrond
Het overgangsrecht is geregeld in hoofdstuk 4 van de Invoeringswet Ow. Gebruikmaken van het overgangsrecht betekent dat de procedure kan worden afgehandeld volgens de huidige wet- en regelgeving en initiatiefnemers om die reden het project niet te hoeven laten afhangen van onzekerheden omtrent de nieuwe wetgeving. Of gebruikmaken van het overgangsrecht gunstig is, is maatwerk en kan per project verschillen.[1]

Bestemmingsplan
Voor een bestemmingsplanprocedure geldt dat het oude recht van toepassing blijft totdat het plan van kracht is, mits het ontwerpbestemmingsplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd. Dit is opgenomen in artikel 4.6 van de Invoeringswet Ow. Om gebruik te maken van het overgangsrecht, moet het plan ter inzage liggen voor (vooralsnog) 1 januari 2022. Aandachtspunt hierbij vormt de besluitvorming door het college van burgemeester en wethouders (of in uitzonderlijke gevallen de gemeenteraad). Het valt niet aan te raden om de terinzagelegging af te laten hangen van de laatste collegevergadering, die doorgaans rond half december plaatsvindt. Mocht het college op dat moment besluiten het ontwerpplan niet vrij te geven voor terinzagelegging, dan is er geen ruimte meer om dit te herstellen. Het plan wordt dan afgehandeld volgens de procedures zoals opgenomen in de Omgevingswet.

Een bestemmingsplan waarvan de procedure is afgerond (onherroepelijk besluit) voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt integraal opgenomen als onderdeel van het van rechtswege ontstane omgevingsplan. Een bestemmingsplan dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog onder het overgangsrecht wordt afgerond zal te zijner tijd eveneens onderdeel gaan uitmaken van het omgevingsplan.

Wijzigings- en uitwerkingsbevoegdheden verdienen ook de nodige aandacht. Met de komst van de Ow komen de wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsbevoegdheid te vervallen. Ook is geen overgangsrecht opgenomen voor deze instrumenten. Wél is in de bruidsschat[2] (artikel 22.26 en art. 22.32 Invoeringsbesluit Ow) opgenomen dat een omgevingsvergunning voor een bouwwerk[3] kan worden verleend wanneer de activiteit past binnen de regels van de wijzigingsbevoegdheid uit het moederplan.[4] Burgemeester en wethouders hebben hierbij beslissingsruimte. Zij zijn dus niet verplicht tot het verlenen van de vergunning. Deze (reguliere) procedure is korter dan de huidige procedure voor wijzigingsplannen (ca. 20 weken).

Omgevingsvergunning
Om in het geval van een omgevingsvergunning (regulier of uitgebreide procedure) onder het overgangsrecht te vallen, hoeft de vergunning enkel aangevraagd te zijn voordat de nieuwe wet in werking treedt. Dat betekent dat de aanvraag in theorie nog op 31 december 2021 kan worden ingediend om volgens het huidige recht te worden afgehandeld. Dit blijkt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Ow. Het is wel van belang om tijdig voorbereidingen te treffen en de inhoud van de aanvraag af te stemmen met het bevoegd gezag, om te voorkomen dat de omgevingsvergunning later buiten behandeling wordt gesteld vanwege ontbrekende gegevens.

Heeft u nog vragen over wat het overgangsrecht voor uw project betekent? Dan kunt u contact opnemen met Loesanne van der Geest, Robin Droogendijk of Martha Bleeker.

[1] Na inwerkingtreding mogen bijvoorbeeld leges worden geheven voor milieuvergunningen. Dit is onder het huidige recht niet het geval. Aan de andere kant wordt onder het nieuwe recht de reguliere (korte) procedure de norm.

[2] Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan of de waterschapsverordening komen. Dit heet ook wel de ‘bruidsschat’. Als gemeenten een nieuw omgevingsplan gaan opstellen, kunnen zij kiezen welke regels zij opnemen in het omgevingsplan en welke niet.

[3] Met de Omgevingswet (art. 5.1 Invoeringswet) wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.

[4] Het bestemmingsplan waarin de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen.